Worminfecties kunnen veel schade aanrichten bij kippen, maar niet alle wormsoorten zijn even schadelijk. Behandeling tegen wormen is daarom niet altijd noodzakelijk. De dierenarts is uw eerste aanspreekpunt bij de aanpak van deze ongenode gasten.
Belangrijkste wormsoorten
Bij de kip zijn de grote spoelworm, de kleine spoelworm en de haarworm de belangrijkste wormen. Daarnaast zijn de grote en de kleine lintworm van belang. Hieronder worden al deze wormen, met de belangrijkste kenmerken op een rij gezet.
|
Belangrijkste wormsoorten |
| Wormsoort bij de kip |
Latijnse naam |
Lengte1 |
Dikte1 |
Schade |
Tussen-gastheer |
Prepatent-periode2 |
| grote spoelworm |
Ascaridia |
40-50 |
2-3 |
+ |
geen |
35-36 |
| kleine spoelworm |
Heterakis |
10 |
1 |
- |
geen |
24-30 |
| haarworm |
Capillaria |
10-30 |
0,1 |
++ |
geen |
20-26 |
| grote lintworm |
Raillietina |
50-150 |
|
+ |
kevers |
21 |
| kleine lintworm |
Davainea |
4 |
|
+++ |
slakjes |
14-21 |
1 maten in mm van volwassen wormen 2 tijdsduur in dagen die verloopt tussen de opname van een infectieus stadium (larve, ei of tussengastheer) en de uitscheiding van nieuwe wormeitjes door de gastheer. De Gaapworm (Syngamus trachea) komt alleen voor in de luchtwegen van met name fazanten en patrijzen, maar kan ook de kip infecteren. De eieren van deze worm worden wel in de darm gevonden. Aangezien de regenworm als tussengastheer optreedt, kan deze parasiet ook een probleem gaan vormen op uitloopbedrijven. |
Schade
Wormen richten vooral schade aan in de darm van de gastheer. Denk hierbij aan:
- ontstekingen en bloedinkjes in de darm
- verbruik van nutriënten die bestemd zijn voor de kip
- uitscheiding van giftige stoffen
- verstopping van de darm door een kluwen volwassen wormen
Ook overdracht van andere ziekteverwekkers is mogelijk: via de eitjes van de kleine spoelworm kan de Histomonasparasiet (verwekker Blackhead) worden overgedragen.
Symptomen
De symptomen van een wormbesmetting zijn afhankelijk van de wormsoort; meestal is er sprake van een chronisch ziektebeeld. Soms treedt (geringe) diarree, vermagering en/of groeivertraging op. Ook kunnen de hennen ‘opdrogen’: kleine kam, stoppen met eiproductie. Bij een aanhoudende, ernstige besmetting kunnen de kam en lellen bleek worden en raakt het dier uitgeput. Bij jonge dieren verloopt een wormbesmetting in het algemeen ernstiger dan bij oudere dieren.
Vaststellen besmetting
Voor mestonderzoek op wormeitjes moet een representatief monster uit het koppel worden genomen. Neem per 500 dieren tenminste 20 verse blindedarm-mestmonsters en 20 verse dunnedarm-mestmonsters. Via sectie op een aantal dieren is een wormbesmetting vaak eenvoudiger vast te stellen. Het nadeel is dat slechts enkele dieren worden onderzocht; wanneer geen wormen worden aangetoond, wil dit niet zeggen dat het gehele koppel vrij is van wormen.
Preventie en behandeling
Niet bij alle worminfecties is een behandeling direct noodzakelijk. Raadpleeg hiervoor uw dierenarts. Worminfecties kunnen op twee manieren worden behandeld: incidenteel of strategisch. Bij incidenteel behandelen wordt alleen ingegrepen als er een besmetting wordt aangetoond. Bij strategisch behandelen worden ook de infectieuze eitjes die achterblijven, aangepakt. Dit gebeurt door opnieuw te ontwormen voordat deze eitjes zich tot nieuwe wormen hebben ontwikkeld, dus binnen de prepatentperiode (zie kader). Bij het behandelen van wormen bij leggend pluimvee was de wachttermijn het grootste probleem. Een wormbehandeling van 7 dagen betekende een effectieve wachttermijn van 14 dagen. Een wormbehandeling bij leggend pluimvee is nu gemakkelijker; sinds 22 oktober kent Flubenol® Pluimvee geen wachttermijn meer voor eieren. Dat we slechts dit ene wormmiddel ter beschikking hebben en dat dat middel waarschijnlijk steeds vaker zal worden ingezet, brengt wel het risico van resistentie-ontwikkeling met zich mee. Bij pluimvee is daarvan gelukkig nog geen melding gemaakt.
|
Voorbeeldschema voor strategisch ontwormen (Janssen Animal Health) |
| Type kip |
Wanneer behandelen |
| opfokhennen op strooisel |
5, 10 en 15 weken |
| leghennen op batterij |
vooraf grondig ontwormen |
| leghennen/vermeerderingsdieren op strooisel: lage infectiedruk |
elke 6 tot 8 weken |
| leghennen/vermeerderingsdieren op strooisel: hoge infectiedruk |
elke 5 weken |