Plan van aanpak infectieziekten nodig
Ik schrijf deze opinie in verband met een lezersvraag waarom er geen regels van hogerhand opgelegd kunnen worden bij een uitbraak van bijvoorbeeld droes of rhinpneumonie. Bij een uitbraak van mond-en-klauwzeer gaat het hele land praktisch op slot, terwijl dat bij de uitbraak van de verlammingsvorm van rhinopneumonie niet gebeurt. Daardoor kun je als rijvereniging bij het aflasten van een concours in verband met geconstateerde of vermeende uitbraken van rhinopneumonie in de omgeving geen verzekering inschakelen.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet ik eerst ingaan op de rol van de overheid bij de dierziektebestrijding en vervolgens op de rol en verantwoordelijkheid van de paardensector en de individuele paardenhouder zelf. Voor het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is het uitgangspunt in de bestrijding van een dierziekte dat een eigenaar zelf verantwoordelijk is voor de gezondheid van zijn dier, uiteraard in samenwerking met zijn dierenarts en binnen de kaders van de wet. De rol van de overheid is beperkt tot dierziekten waarbij er risico's voor de volksgezondheid zijn, Nederland Europese/internationale verplichtingen heeft of als er externe effecten (bijvoorbeeld exportbeperkingen) bij de dierziekte optreden.
Op basis van deze criteria worden infectieziekten bij paarden in drie categorieën onderverdeeld, namelijk
- bestrijdingsplichtige ziekten zoals Afrikaanse Paardenpest en Vesiculaire Stomatitis.
- "handelsziekten" zoals kwade droes, infectieze anemie en miltvuur en
- "bedrijfsgebonden ziekten" zoals rhinopneumonie, droes en influenza.
De ziekten in de laatste categorie kunnen ook vrij ernstig zijn, maar voldoen onvoldoende aan de criteria die een rol van de overheid mogelijk maken.
Categorieën
Voor de eerste categorie, bestrijdingsplichtige ziekten, verplicht Europa de lidstaten een draaiboek op te stellen waarin beschreven wordt hoe deze ziekten bestreden zullen worden. Voor Afrikaanse Paardenpest is dat draaiboek inmiddels gereed en wordt het in Brussel besproken. Een belangrijk discussiepunt is bijvoorbeeld euthanasie van besmette dieren. Daarnaast financieert LNV onderzoek naar Afrikaanse Paardenpest en verzorgt men de cimmunicatie naar de sector: bij de bestrijding van een ziekte is een zo vroeg mogelijke herkennin cruciaal. Daarom moeten dierenartsen en paardenhouders op de hoogte zijn van de symptomen.
De tweede categorie vormen de handelsziekten, die dus met namen van belang zijn voor paarden die internationaal worden verhandeld. Hierbij speelt het ministerie geen rol in de bestrijding, maar verklaart de Voedsel en Waren Autoriteit in opdracht van LNV een bedrijf of paard wel vrij van een aantal ziekten. Dat wordt gedaan op basis van een certificaat, waarbij voor een aantal ziekten paarden daawerkelijk negatie getest moeten worden en voor andere ziekten het ontbreken van symptomen in een land, regio of bedrijf gedurende een bepaalde periode voldoende is. Binnen Europa zijn de eisen gelijk, maar buiten Europa kunnen ze per land verschillen. De sector kan er zelf voor kiezen om - wanneer dat voor de handel belangrijk en ook uitvoerbaar is - een bepaalde ziekte uit te roeien. ( De ziekte van Aujeszky in de varkenssector is geheel op eigen kracht uitgeroeid).
De derde categorie, een aantal minder besmettelijke, bedrijfsgebonden, ziekten, rekent de overheid niet tot haar verantwoordelijkheid, maar ze probeert wel randvoorwaarden te scheppen zodat de eigenaar zelf zijn verantwoordelijkheid kan nemen in de gezondheid van zijn paard. LNV werkt bijvoorbeeld nauw samen met de Sectorraad Paarden ten aanzien van de communicatie over besmettelijke dierziekten in brede zijn, voor alle drie de categorieën.
Deze systematiek met een driedeling geldt overigens ook voor alle landbouwhuisdieren, dus het is zeker niet zo dat de paardenhouderij "benadeeld" wordt ten opzichte van andere sectoren. Ook in die sectoren kunnen de minder besmettelijke ziekten behoorlijk economische consequenties hebben.
Monitoringssystemen
Andere sectoren hebben daarom hun verantwoordelijkheid genomen voor dit soort ziekten door samen met het ministerie een monitoringssysteem in te richten, belegd bij GD. Het voert te ver om deze systematiek volledig uit te leggen, maar in het kort wordt een vinger aan de pols gehouden voor een aantal bekende ziekten, worden signalen uit het veld door een groep diersoortspecialisten opgevangen en geinterpreteerd en wordt advies gegeven. Ook wordt de informatie uit laboratoriumuitslagen en secties gebruikt om zo vroeg mogelijk nieuwe ziekten of veranderende patronen in bekende ziekten op te sporen. Bovendien worden bij andere sectoren voor relevante besmettelijke ziekten verplicht en vrijwillige bestrijdingsprogramma's aangeboden, grotendeels georganiseerd door GD, waarbij een bedrijf een bepaalde status/certificering kan behalen.
De paardensector loopt daarin achter, maar inmiddels is begonnen aan een inhaalrace. De Sectorraad Paarden is nu een herkenbaar aanspreekpunt voor houder en overheid. De raad heeft een Plan van Aanpak Welzijn Paard voor het voetlicht gebracht en er wordt door een werkgroep hard gewerkt aan een Plan van Aanpak Infectieziekten Paard. Hierin wordt aandacht besteed aan een selectie van de meest relevante besmettelijke ziekten uit de besproken drie categorieën, met veel aandacht voor preventie en bestrijding.
Een dergelijk plan biedt handvaten en adviezen aan dierenartsen en paardenhouders, maar regelt nog geen collectieve aanpak van bepaalde ziekten. Daardoor is collectieve financiering nodig en het nagenoeg ontbreken daarvan in de paardenhouderij, in tegenstelling tot andere sectoren, maakt het monitoren en bestrijden van relevante ziekten op sectorniveau moeilijk, en tot nu toe onmogelijk. Voor niets gaat immers de zon op.
dr. Kees van Maanen

